Het levensverhaal van David en Judith van Zwanenbergh

David is geboren op 24 september 1895 in Uden.

Hij bezat veestallen in het dorp en was veehandelaar in Uden en omgeving.

 

Tijdens de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) leverde hij vlees aan de 5000 Belgische vluchtelingen die in Vluchtoord Uden woonden.

In 1919 trouwde David met Judith van Leeuwen en samen woonden zij in Uden in de Sint Janstraat A 160.

Zij waren graag geziene mensen en David en Judith leefden heel gelukkig daar midden in het dorp. Hun geluk vergrootte nog op 9 mei 1923, toen hun dochter Elisabeth (Betty) van Zwanenbergh werd geboren.

Tot in 1940 de oorlog uitbrak en de dreiging van deportatie begon.

 

Burgemeester Buskens was mogelijk geïnformeerd over de deportatie en heeft het gezin, dat zo goed in Uden lag, mogelijk gewaarschuwd.

 

Voor de oorlog was er in Uden een Oranje-comité, waarin o.a. Ruppert (de Rijksduitser, die in de oorlog een leidende functie in Uden had) en David van Zwanenbergh zitting hadden.

Het zou ook mogelijk kunnen zijn dat David vanuit hetgeen hij op diverse plaatsen hoorde (mogelijk met name ook van Ruppert) het besluit tot vertrek uit Uden genomen heeft.

Maar dat is uiteraard niet met zekerheid te zeggen.

 

Willem van Schijndel was een collega-veehandelaar van David. David kwam geregeld bij Willem in Veghel over de vloer. Vermoedelijk hebben zij over de plannen van David gesproken, om Uden te verlaten in verband met de dreiging van deportatie. Willem van Schijndel heeft hier tijdens de oorlog met niemand over gesproken. Pas na de oorlog heeft hij dat verhaal aan zijn dochter verteld. Betty van Zwanenbergh heeft altijd in de veronderstelling geleefd dat zij in het bezit was van een vervalst persoonsbewijs. Het ware verhaal is pas naar boven gekomen na publicatie van onderstaand artikel van Aïda Jaber in het Brabants Dagblad (februari 2015).


'Betty overleefde oorlog met persoonsbewijs van Veghelse Maria van Schijndel'

 

VEGHEL - Betty van Zwanenbergh (1923-2001), dochter van Judith en David van Zwanenbergh uit Uden, heeft de oorlog naar alle waarschijnlijkheid overleefd dankzij het persoonsbewijs van Maria van Schijndel (1922) uit Veghel. Daar is Betty's zoon Hans Stronkhorst van overtuigd. De nazaten van Betty van Zwanenbergh, die in Uden opgroeide, hebben tot op heden in de veronderstelling geleefd dat op de identiteitskaart van hun moeder een verzonnen naam stond. 

 

Aida Jaber 06-02-15, 14:51     Laatste update: 07-03-17, 10:38 

 

De publicatie 'Joden zijn nog niet vergeten' in het Brabants Dagblad van 26 januari 2015 wekte de belangstelling van Maria Bongaerts-van Schijndel. "Mijn vader was veehandelaar en een collega van David van Zwanenbergh. Ik weet dat hij mijn persoonsbewijs aan hem heeft gegeven voor zijn dochter Betty. Maar ik heb nooit geweten of ze de oorlog overleefd heeft."

 

De Joodse David (1895) en Judith (1894) van Zwanenbergh woonden met dochter Betty aan de Sint Jansstraat A 160 in Uden toen de oorlog in 1940 uitbrak. Langer in Uden blijven was geen optie, vanwege de dreiging van deportatie. David zocht voor zijn gezin naar mogelijkheden om in veiligheid te komen. "Mijn opa en oma doken onder in een pension in Ugchelen, waar ze door de pensionhoudster werden verraden. Ze werden op straftransport naar Westerbork gezet en overleden in Sobibor", vertelt Hans Stronkhorst. Betty, hun dochter, verbleef op verschillende onderduikadressen en overleefde de oorlog met geblondeerd haar en ze werd uit veiligheid protestants.

 

In het Brabants Dagblad van zaterdag 7 febuari 2015 een verhaal over de connectie tussen familie Van Zwanenbergh en Maria Bongaerts-van Schijndel.

Het persoonsbewijs dat Betty van Zwanenbergh gebruikte.



Voordat het gezin vertrok vulde David een ijzeren kistje met kleine bezittingen zoals foto’s en sieraden en begroef dit in de tuin, samen met nog wat andere waardevolle spullen.

Grotere spullen werden bij kennissen ondergebracht.

 

David zocht voor zijn gezin en zichzelf naar mogelijkheden om in veiligheid te komen. Hij betaalde 3000,00 gulden aan een bekende, die voor dit geld hun overtocht naar Engeland zou regelen. Er gebeurde helemaal niets en het geld bleek ook spoorloos!

 

Bij kennissen in de buurt, de familie Geurts, (de mannen, Martinus Geurts en David, kenden elkaar van sociëteit Nimrod), konden zij zich in de kelder verstoppen. Omdat het te gevaarlijk werd, moesten zij hier na enkele dagen al weer weg. 

Vervolgens hebben zij enkele dagen ondergedoken gezeten in de boerderij van de familie Rutten aan de Hulstheuvel in Uden. Zij zaten verstopt in de kippenschuur achter de boerderij. Daar had Hein Rutten een geheime schuilplaats tegen het dak van de kippenschuur aan gemaakt. Eigenlijk een soort zolderetage waarvan, als je het niet wist het niet kon zien.

 

In alle stilte vertrok het gezin uit Uden.

 

Op 4 februari 1943 verscheen het volgende bericht in het Nederlandsch Algemeen Politieblad:

art. 355 De Burgemeester van Uden verzoekt, in verband met het bepaalde in art. 3 der Verordening van de Commissaris-Generaal voor de Openbare Veiligheid van 15 september 1941 de opsporing, aanhouding en voorgeleiding van de navolgende personen van Joodschen bloede: David van Zwanenbergh, geboren te Uden 24 September 1895 Judith van Leeuwen, geboren te Gorinchem 9 April 1894 Elisabeth van Zwanenbergh, geboren te Uden 9 Mei 1923 Allen wonende te Uden, Sint Janstraat A 160. 

Het volgende onderduikadres van David en Judith, betrof een pension in Ugchelen, in de buurt van Apeldoorn. Hier vonden David en Judith geen rust. Er heerste een waar schrikbewind. Enkele onderduikers die er hebben gezeten hebben een boekje opengedaan over de vrouw en haar jongste zoon, die Joden zouden hebben geslagen en hun bedorven eten hebben voorgezet. De vrouw zou de Joden verraden hebben omdat ze zich bekocht had gevoeld. Zij had 10 gulden per week gevraagd, maar had dit bij nader inzien veel te weinig gevonden. Ze zou met een rechercheur een deal hebben gesloten dat hij haar voor elke arrestant 10 gulden premie (kopgeld) zou geven. 

In de nacht van woensdag 14 op donderdag 15 juli 1943, wordt er een inval gedaan in het pension Eljo-Zamy in Ugchelen. Nadat de rechercheurs met de pensionhoudster en haar man hebben gesproken, verklaren dezen zich bereid de onderduikers  die zich in de bossen blijken te hebben verstopt terug te lokken door het afgesproken signaal ‘koekoek’ te roepen. Als niet alle Joodse onderduikers gehoor geven aan de lokroep, wordt er een klopjacht van enkele dagen gehouden totdat ook alle andere gevluchte onderduikers zijn aangehouden.

(Uit Vogelvrij, hoofdstuk Johannes Meijer)

Betty, hun dochter, verbleef op verschillende andere onderduikadressen.

Zij werd uiteindelijk, zogenaamd als gevangene, opgehaald door een marechaussee, die haar echter bij zijn ouders ondergebracht heeft in Hoofddorp. Zij leefde daar voor een groot deel onder de grond.

Met geblondeerde haren en vals persoonsbewijs overleefde zij de oorlog in dit gezin, waarin zij als een dochter was opgenomen.

 

In die periode werd de broer van Judith, Abraham van Leeuwen, gevangen gezet, waarbij hij werd geslagen om hem te laten bekennen waar zijn nichtje Betty ondergedoken zat. Hij heeft gelukkig niets verteld. Betty heeft uiteindelijk, mede door haar valse identiteit, de oorlog overleefd.

 

15-7-43 Verraden en opgepakt

16-7-43 Aankomst Westerbork

20-7-43 Vertrek naar Sobibor

23-7-43 Vermoord