Antoinetta van Zwanenbergh-Wijnhausen, moeder van David

Antoinetta is geboren op 4-9-1856 in het Limburgse Gulpen. Haar achternaam wordt op verschillende manieren geschreven: Wijnhausen, Wijnhouzen, Weinhausen, Wijnhauzen of Weinhuizen.

 

Antoinetta is de jongste uit een gezin van vijf kinderen. Haar vader Samuel Wijnhausen is geboren op 7-2-1809 in Wanlo (Dld). Haar moeder Sara Compris is geboren op 11-12-1819 in Gulpen. De ouders van Antoinetta zijn getrouwd op 6-6-1844 in Maastricht. Ze gaan wonen in de Gats, thans de Deken Schneiderstraat, in Gulpen.

Antoinetta is de enige van het gezin, die door het Nazi-regime vermoord zal worden. Alle anderen zijn voor aanvang van WOII overleden. Een bijzonder detail is dat alle kinderen en kleinkinderen van de broer en zus van Antoinetta (één zus overleed als peuter en een andere zus bleef kinderloos) in één van de concentratiekampen zijn omgebracht. (bron: De Joodse gemeenschap in Gulpen)

 

In 1877 komt  Antoinetta naar Uden. Ze gaat werken als dienstbode bij het gezin Van Zwanenbergh-de Wit en gaat er ook inwonen. Op 9 januari 1883 trouwt Antoinetta met Louis van Zwanenbergh in Gulpen. Louis is één van de zonen van het Joodse gezin Van Zwanenbergh-de Wit.

 

Louis en Antoinetta vestigen zich op 10 februari 1883 in Uden aan de Schafstraat 12, later Straat 77a, Straat 111, Straat 125 en Straat 112. Hierna lijkt het erop dat Straat 112 wordt omgenummerd naar Straat 122. Dit adres wordt dan weer omgenummerd naar A 130 en weer later naar A 160. In die periode werden huisnummers regelmatig omgenummerd. Het zou dus kunnen zijn dat ze de gehele periode op hetzelfde adres hebben gewoond in de huidige St. Janstraat.

In 1883 bevalt Antoinetta van een dochter. In de Graafsche Courant van 08-12-1883 staat vermeld dat Louis en Antoinetta in de Straat wonen.

 

 

(Graafsche Courant 1883-12-08)


Louis en Antoinetta krijgen acht kinderen: 

 

Petronella 28-11-1883      

Jacob 21-06-1885 (overleden op 23-02-1888)   

Samuel 20-03-1888

Sientje 21-07-1890 (overleden op 08-11-1915)

Elisabeth 19-02-1892                         

Nathan 04-02-1894                                   

David 24-09-1895

Catharina 18-11-1896.

 

Piet Mondriaan in Uden

 

In 1904 huurt schilder Piet Mondriaan voor een klein jaar een gedeelte van het huis van het Joodse gezin Van Zwanenbergh. De schilder zocht in Uden rust vanwege een persoonlijke crisis. Pas later zou Mondriaan zijn zo bekende abstracte stijl ontwikkelen, maar het werk uit die Udense tijd bevat wel een lichte aanzet daartoe.

 

 

Foto St. Janstraat, Uje Vruuger, Facebook. Links het Tramstation met veranda, daarnaast het huis van Van Zwanenbergh.

Foto gemaakt vóór de verbouwing in 1917. Piet Mondriaan huurde het linker gedeelte van het pand.

 


Door een vriend van Piet Mondriaan, Albert van den Briel, is een schets gemaakt van het gedeelte van de woning, met atelier, welke werd gehuurd door Piet Mondriaan. Op een blauwdruk (bron: BHIC) van een verbouwing van het pand van de familie Van Zwanenbergh uit 1917 is te zien welk gedeelte (rood omlijnd) door Piet Mondriaan werd gehuurd.


‘Piet de schilder’ werd hij in Uden genoemd. Samen met zijn hond Beppie en zijn speciale schildersfiets zwierf Mondriaan een jaar lang door de velden en akkers rondom Uden.


De familie Van Zwanenbergh stelde zich heel bescheiden op en was, met name buurman Van Zwanenbergh, bijzonder hartelijk en behulpzaam. Zo hielp hij Mondriaan bij het inkopen van bijvoorbeeld kolen, hout en aardappelen en gaf hij hem regelmatig groenten uit eigen tuin. Af en toe, wanneer hij geslacht had, gaf hij hem stukken vlees. Toen Mondriaan aan het einde van de zomer besloot om het grote leren scherm boven het raam van zijn atelier te verwijderen, omdat het licht dan ‘zuiverder’ zou zijn, hielp Van Zwanenbergh niet alleen het scherm te verwijderen, maar kocht het zelfs en betaalde er goed voor. 

Mondriaan was in zijn periode in Uden erg op zichzelf. Zijn houding t.o.v. Van Zwanenbergh was verre van uitnodigend en Albert van den Briel spreekt hier dan ook met afkeuring en onbegrip over. 

Schilder Piet maakte tijdens zijn verblijf in Uden een tekening, die het midden houdt tussen een portret en een stereotype Joodse karikatuur, van zijn huisbaas Van Zwanenbergh en liet er 100 prentbriefkaarten van drukken (afbeelding collectie Stichting het Uden-archief van Bressers). Antoinetta was hierover zo boos, dat ze alle kaarten die ze kon bemachtigen, verscheurde. Piet Mondriaan verliet op vrijdag 27 januari 1905 Uden weer.  (Bron:  Piet Mondriaan een jaar in Brabant 1904/1905)

 

In het kistje dat tijdens WOII in de tuin van het huis aan de St. Janstraat begraven werd, is geen prentbriefkaart met de afbeelding aangetroffen. Voor zover nu bekend zijn er twee exemplaren bewaard gebleven. 

 


Vluchtoord Uden, 1e Wereldoorlog 1914-1918

 

De Udense slagers zijn aanvankelijk goed af met het Belgische vluchtoordkamp. De eerste helft van 1915 leveren de Udense slagers Verstegen, Ockhuizen, Van Stokkum, Van Casteren, Hoefs en Van Zwanenbergh het vlees aan het Belgische dorp. Vooral spek. Doordat spek door schaarste erg duur is geworden en er veel concurrentie is ontstaan, is het eind 1915 geen vanzelfsprekendheid meer dat de Udense slagers het vlees leveren. Louis van Zwanenbergh klaagt daarom in december bij de leiding van het vluchtoord dat hij al drie maanden geen orders meer ontvangen heeft en ‘weer graag in de rij wil komen als de anderen’. Hij krijgt de volgende dag al antwoord dat er momenteel geen spek van slagers uit Uden betrokken wordt. Mocht het weer het geval worden dan kan hij weer orders verwachten, als tenminste blijkt dat de bestellingen naar behoren en op tijd geleverd worden. De reden voor die laatste toevoeging: Louis van Zwanenbergh kreeg op 3 september 1915 een order voor 500 kilo spek, die hij pas meer dan een week later leverde. Daarmee had hij de verpleging in moeilijkheden gebracht en geen orders meer gekregen. In januari 1916 komen Louis van Zwanenbergh en alle andere slagers uit deze streek weer in beeld. 

(bron: Van heidegrond tot Vluchtoord Uden, Henk Hellegers)

 

Louis overlijdt op 8 augustus 1916. Antoinetta wordt weduwe.

 

Uit archiefgegevens blijkt dat haar zonen David en Sam het werk van hun vader voortzetten. David werkt veel samen met buurman Theo Hoefs. In het eerder genoemde kistje zit een foto waarop dit te zien is. Deze foto is genomen in 1917 of 1918. Van de familie Hoefs krijgen we een andere foto, op dezelfde dag gemaakt. Thea Villevoye-Hoefs vertelt ons dat haar vader op de foto voor op de kar zit, die eigendom is van


de familie Hoefs, en het vlees naar het vluchtoord gaat brengen.


Paspoort

 

Antoinetta was een kleine verschijning met haar 1,51 centimeter. Ze had donker haar en bruine ogen. Dit lezen we in haar paspoort welke op 31 maart 1922 is uitgegeven en één jaar geldig is. Dit paspoort is bewaard gebleven en voorzien van één van de weinige foto’s die er zijn van Antoinetta.

 

In 1922 trouwt Julius Wijnhausen, de oudste zoon van de broer (Karel Wijnhausen) van Antoinetta, met Annie Heijdt in Keulen. Het vermoeden bestaat dat Antoinetta naar deze bruiloft is geweest en hiervoor het paspoort heeft aangevraagd. Bijzonder detail: ze ondertekent zelf het paspoort met Wijnhouzen.

 

De jaren ‘30

 

Antoinetta werd door familie en bekenden Moeke genoemd.

In 1934 trouwt Nettie van Meer, een kleindochter van Antoinetta. Op een foto (Collectie JHM in Amsterdam) zien we Antoinetta tijdens de bruiloft van Nettie van Meer met Barend Spiero. Foto is gemaakt in het Amstelhotel in Amsterdam.

 


Op deze foto zijn ook een aantal van de kinderen van Antoinetta herkend:

Petronella (Ella)

Sam

Hoogstwaarschijnlijk is dit Elisabeth (Bets)


Nathan

David

Catherina (Cato)


De foto hiernaast (Collectie JHM) is genomen in maart 1938. 

Antoinetta is hierop inmiddels 81 jaar. We mogen veronderstellen dat haar zoon Sam hier zijn 50ste verjaardag vierde. Op de foto staat ook de tweede vrouw van Sam, Grietje Stoppelman, en kleindochters Rosette en Nettie (dochters van Sam).

 


De Tweede Wereldoorlog

 

Uit gegevens van het BHIC blijkt dat Antoinetta vanaf 1924 regelmatig in- en uitgeschreven wordt uit het bevolkingsregister van Uden. 

 

Antoinetta gefotografeerd omstreeks 1935 vanaf het dakterras van Emmaplein 22 in ’s-Hertogenbosch.

(Foto collectie JHM.)

 


Ze verblijft in 1939, als ze niet in Uden is, bij haar jongste dochter Cato en haar gezin op het Emmaplein 22 in Den Bosch. Het begin van WOII maakt Antoinetta in Uden mee. Ze woont dan bij David en zijn gezin in de St. Janstraat. In juli van dat jaar vertrekt ze weer naar Den Bosch naar Emmaplein.


Al enige maanden is Mozes (roepnaam Max) van Straten, de echtgenoot van Cato, in een werkkamp in Nederland. Hij behoorde tot de groep Joodse mannen die werden opgeroepen voor kampen van de Rijksdienst voor de Werkverruiming in Noord- en Oost Nederland. 

In de nacht van 2 op 3 oktober 1942 waren er razzia’s in de werkkampen. De Joodse mannen werden massaal naar Westerbork gebracht, waar gezinshereniging zou plaatsvinden. Het was een duivels spel.

Op 3 oktober 1942 kwam bij Cato de politie aan de deur. Zij kreeg een half uur de tijd om spullen te pakken, ze zou direct met de twee kinderen Hans en Betty naar Westerbork moeten vertrekken. Daar zouden ze weer herenigd worden met hun partner en vader. Cato was heel blij dat zij met Hans en Betty weer bij Max zou zijn; omdat daardoor een einde kwam aan de onzekerheid. (Bron: “Wegens bijzondere omstandigheden…” ’s-Hertogenbosch in bezettingstijd 1940-1944)

 

Cato, echtgenoot Max en hun kinderen Hans en Betty werden nooit meer terug gezien. Omdat hier niet gesproken wordt over de aanwezigheid van Antoinetta op het adres van haar dochter Cato, zouden we mogen aannemen dat zij op 3 oktober 1942 daar niet verbleef of dat ze daar alleen achter bleef.

 

Waar Antoinetta eind 1942 was, werd vorig jaar pas duidelijk toen Petra de Ruijter (Werkgroep Struikelstenen Oss) in een politiedossier bij het BHIC een document vond waarin de burgemeester van Oss op 15 april 1943 de burgemeester van Uden op de hoogte bracht dat Antoinetta op 9 april 1943 vanuit Spoorlaan 66 in Oss was vertrokken naar Westerbork. 

 

Aan Spoorlaan 66 in Oss woonde het gezin van de Joodse dr. Roelof Frank. Dokter Frank werd in februari 1940 opgeroepen voor de militaire dienst en werd gestationeerd bij Hoek van Holland. Dr. Margaret Danby nam de praktijk in Oss waar. In mei 1940 maakte dokter Frank de oversteek naar Engeland met de Nederlandse Koninklijke familie en de restanten van het Nederlandse leger. Daar werd hij in 1941 uitgezonden en diende in het Engelse leger. Op 1 december 1942 bevond hij zich op het getorpedeerde schip H.M.A.S. Armidale. Dr. Frank overleefde het niet. 


Zijn vrouw Betty Frank-Maijer en hun zoontje Achi (Joachim Roelof Frank) bleven in het huis in Oss, welk ogenschijnlijk werd omgezet in Rusthuis Hannah in 1942. Dit was een door het verzet geïnspireerde manoeuvre om o.a. de ouders ( Siegmund en Johanna Maijer) en schoonouders (Joachim en Dora Frank-Heijmans) in Schaijk en Brunsum te laten onderduiken. (bron JHM)

 

Hoe goed het was dat er in Oss een rusthuis was ingericht, bleek eind augustus 1942. Op 

28 augustus 1942 vond er een grote deportatie plaats in Oss van Joodse inwoners. Er bleven oude lieden onverzorgd achter. Op 28 augustus 1942 werden in het rusthuis opgenomen: mevr. V.d. Giessen, mevr. Maijer, mevr. Leviticus en mevr. Luchs. Later kwamen mevr. De Winter-Cohen uit Veghel en de heer Gotlieb uit Grave erbij. Deze verhuizingen konden slechts geschieden met medeweten van de politie, daar verhuizen zonder vergunning voor Joden verboden was. (bron: De Joden te Oss tijdens de bezetting door Duitsland van Ruben Bollegraaf)

 

Wat opvalt is dat Antoinetta niet bij de eerste bewoners van Rusthuis Hannah is.

 

Naar aanleiding van een opdracht stuurt de burgemeester van Oss op 2 december 1942 een lijst met namen van Joden die op dat moment in Rusthuis Hannah verblijven. Op deze lijst zien we voor het eerst de naam van Antoinetta. (bron: BHIC Gemeentebestuur Oss 1930-1960 nr. 712)

 

In februari/maart 1943 leefden de leidsters en bewoners van het rusthuis in grote spanning. Het huis was namelijk enkele keren bezichtigd en zou gevorderd worden door een Duitse instantie. Wat zou er met het personeel en de bewoners gebeuren? Het kon zijn dat zij mochten verhuizen, maar ook, dat allen naar Westerbork moesten. De burgemeester trachtte de vordering tegen te houden. Inderdaad was de gestelde termijn al zonder ongelukken verstreken. Voor alle zekerheid onderzocht de Joodse Raad waar de bewoners zouden kunnen worden ingekwartierd. De keuze viel op een tweede rusthuis, dat als reserve werd beschouwd. Dr. Danby zou spreekuur houden in het Gemeentegebouw. Zover kwam het echter niet. Alles was weer het spel van kat en muis.

(Bron: Ruben Bollegraaf, De Joden te Oss tijdens de bezetting door Duitsland)

 

Eind maart 1943 verscheen plots in de kranten dat alle Joden uit Brabant zich vóór 10 april vrijwillig  moesten melden in Kamp Vught. Er waren enige uitzonderingen, zoals gemengd gehuwden.

 

Op 9 april 1943 reed er een trein door Brabant naar Westerbork. Deze speciale trein reed van Bergen op Zoom naar Breda en verder naar Tilburg, Den Bosch en Oss. Overal onderweg werd gestopt om zieken, invaliden en ouden van dagen in deze trein mee te nemen. Eindbestemming van de trein was Westerbork. Voor de medische verzorging reisden de artsen Moerel uit Tilburg, Diamant uit Den Bosch en de verpleger Salomon Mozes uit Tilburg mee. Ook enige dames zorgden voor de verpleging van de patiënten. Zij waren voorlopig vrijgesteld vanwegde de functies van hun echtgenoten bij de Joodse Raad. Onder hen waren mevr. Hes uit Oss en mevr. De Winter uit Den Bosch en enkele andere dames. Aan het einde van de dag, na dit transport van menselijk leed in Westerbork afgeleverd te hebben, konden zij naar hun woonplaats terugkeren. Er zijn met deze trein enkele tientallen mensen naar Westerbork gebracht. Het exacte aantal is niet bekend. Vanuit Tilburg werden zes zieke mensen meegenomen. Op het station van Oss werden 25 mensen ingeladen, 22 ouderen en zieken Joden uit Den Bosch zijn op 9 april 1943 per trein naar Westerbork vertrokken. Maar in de trein bevond zich ook een onbekend aantal mensen uit andere plaatsen.

 

De vertrokken Joden die in Oss mee moesten zijn met naam genoemd. 

Onder hen wordt genoemd:

Uit Uden: Antoinetta van Zwanenbergh-Wijnhausen.

(bron: GA-Oss. Gemeentebestuur Oss 1930-1960. Nr. 720)

 

Al op 13 april 1943 gaat Antoinetta in een transport van 1.204 personen vanuit Westerbork naar Sobibor. Antoinetta wordt daar op 16-4-1943, direct na aankomst en net als alle andere Joden van dit transport, vermoord in één van de gaskamers.

 

Asheuvel in Sobibor waar vier steentjes zijn neergelegd (volgens Joods gebruik) voor onze vermoorde dorpsgenoten.