Hoe Betty van Zwanenbergh de oorlog overleefde...

Allereerst even terug in de tijd om David en Judith te leren kennen, de ouders van Betty. 

David is geboren op 24 september 1895 in Uden en Judith is geboren op 9 april 1894 in Gorinchem. 

Op 26 juni 1919 trouwen David van Zwanenbergh en Judith van Leeuwen in Rotterdam. Zij wonen in Uden aan de Sint Janstraat A 160.

 

(bron: collectie familie Stronkhorst)

(bron: collectie familie Stronkhorst)


 

David bezat veestallen in het dorp en was veehandelaar in Uden en omgeving. Tijdens de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) leverde hij vlees aan de 5000 Belgische vluchtelingen, die in Vluchtoord Uden woonden. 

David en Judith waren graag geziene mensen en zij leefden heel gelukkig daar midden in het dorp. 

 

(bron: collectie familie Stronkhorst)

 

Hun geluk vergrootte nog toen op 9 mei 1923, hun dochter Elisabeth (Betty) van Zwanenbergh werd geboren.

(bron: collectie familie Stronkhorst)


(bron: collectie familie Stronkhorst)

 

De familie van Zwanenbergh nam in Uden gewoon deel aan het sociale leven. In kranten lezen we daar genoeg aanwijzingen voor. Zo wint David van Zwanenbergh in 1924 de 8e prijs (een koperen bloempot) van het barakconcours, een biljartspel. 

Ook weten we dat David lid was van Nimrod, de inmiddels oudste vereniging van Uden, een kaart- en biljartvereniging.

 

(bron: collectie familie Stronkhorst)

(bron: Udense Courant 16-12-1933)

 

De Joodse kinderen in Uden gaan vanaf 1924 in Veghel naar de Openbare Lagere school omdat Uden vanaf 1924 alleen nog Rooms-Katholieke scholen heeft. Het gemeentebestuur van Uden geeft aan dat “als ze de wil hebben, de Joodse kinderen ook in Uden naar de Rooms-Katholieke school mogen”. 

In 1928 is het dan zover: de Joodse meisjes en tevens nichtjes Betty en Netty van Zwanenbergh gaan naar de R.K. meisjesschool in Uden. 

 

Betty en Netty van Zwanenbergh

(bron: collectie familie Stronkhorst)


 

Oud klasgenootjes vertellen dat er normaal met elkaar werd opgetrokken. Betty en Netty werden regelmatig uit de klas gehaald voor godsdienstonderwijs. 

Bij de Katholieken was het gebruikelijk dat je, als je voorbij een Rooms-Katholieke kerk kwam, je een kruisteken maakte. Dat gebruik deed Betty ook, tot soms groot ongenoegen van Joodse familieleden uit andere provincies. 

 

Op de volgende foto’s zien we de kinderen uit de St. Janstraat voor het huis van familie Schiks, de overburen van David, Judith en Betty.

 

(Bron:  collectie Marijke Jansen-Boonaerts)


(Bron:  collectie Marijke Jansen-Boonaerts)

(Bron:  collectie Marijke Jansen-Boonaerts)

 

Als Betty 9 jaar oud is logeert zij bij haar oom en tante in Apeldoorn als haar ouders een auto-ongeluk krijgen in Duitsland. Volgens een krantenartikel van 15 juni 1932 vindt het ongeluk plaats in de stad Neuss, waar ze aldaar in een gasthuis verpleegd worden. 

 

Betty vindt het wel prima zo, mag ze lekker nog een tijd bij haar oom en tante logeren! (via achternicht Marion van Maren). 

In de Udense Courant lezen we over het ongeluk 25-6-1932:

 

(Bron: Udensche Courant 25-6-1932)

(Bron: collectie familie Stronkhorst)

 

Als Betty 13 jaar is, gaat zij in 1936 naar de Rooms-Katholieke meisjes MULO in Oss met de fiets, samen met de Udense Antoinette van der Lee.

Uden had toen alleen een jongens MULO. 

Op 8 juli 1938 staat in het ‘Nieuwsblad voor Oss en omstreken en het Land van Maas en Waal’ onderstaand bericht.

 

(Bron: De Stad Oss 8 juli 1938)

 

Op deze school leerde Betty steno en typen. Dit zal in de oorlog nog een rol gaan spelen.

 

Over het gezin Van Zwanenbergh zijn enkele verhalen bekend die later nog verteld worden door mensen die hen gekend hebben. Een van die verhalen is het volgende:

 

David was eind jaren ’30 in de Marktstraat bij slager Ockhuizen geweest. Even later is de school uit en loopt er een jongen door de Marktstraat naar huis. Hij vindt voor de deur van slager Ockhuizen 10 gulden. Hij geeft deze 10 gulden af bij Ockhuizen. Daar weet men dat het van David van Zwanenbergh moet zijn. De 10 gulden wordt teruggegeven aan David. Dan geeft David aan Betty de opdracht om de jongen 1 gulden vindersloon te brengen. 

 

Als Betty een jaar of 15 is, rond 1938, zit zij op hockey bij de Udense hockey club UHC.

Op deze foto zien we de hockeydames op de verjaardag van Dina Bex-Van Dieten in de Kerkstraat.

 

(Bron: collectie familie Stronkhorst)

Betty helemaal rechts op de foto.

 

David en Judith woonden nog met dochter Betty aan de Sint Janstraat A 160 in Uden toen in 1940 de oorlog uitbrak.

 

David zocht al vrij snel voor zijn gezin en zichzelf naar mogelijkheden om in veiligheid te komen. Hij betaalde 3000,00 gulden aan een bekende, die voor dit geld hun overtocht naar Engeland zou regelen. Er gebeurde helemaal niets en het geld bleek ook spoorloos!

 

Vanaf 3 mei 1942 moesten alle Joden op hun kleding een Jodenster dragen.

Betty vertelde na de oorlog dat zij, zodra dat kon, van al haar kleding de sterren had afgetrokken en weggegooid. Achteraf vond ze het jammer dat ze er niet een had bewaard.

 

Betty mocht niet meer sporten vanaf half 1942. Ze is toen waarschijnlijk ook gestopt met hockeyen. 

 

David is op 13 juni 1942 namens de Joodse Raad Vertegenwoordiger van Uden geworden. David lijkt op 30 juli 1942 een echt bewijs gekregen te hebben waarop staat dat hij voor de Joodse Raad werkt.

 

(Bron: collectie familie Stronkhorst)

 

Hieronder een stukje info, bron ’t Hooge Nest van Roxane van Iperen:

 

Nederland heeft de opdracht gekregen in 1942 15.000 Joden te leveren. Van dit aantal was niemand warm of koud geworden, omdat daaraan alleen al met de deportatie van buitenlandse Joden kon worden voldoen. Seyss-Inquart verwachtte geen ophef onder de Nederlandse bevolking. Maar aangezien de nazitop vernomen had dat Frankrijk zijn opgegeven 100.000 deportaties voor dat jaar met geen mogelijkheid ging halen, werd in allerijl besloten dat dit tekort elders moest worden gecompenseerd. Het jaarquotum voor Nederland werd met één pennenstreek verhoogd van 15.000 naar 40.000 mensen. De bezetter en de NSB vreest enig rumoer onder de bevolking, nu Joodse buren, oud-collega’s en vrienden opeens in grote getalen hun biezen moeten pakken. De Zentralstelle acht het verstandig de Joodse Raad als bondgenoot in te schakelen, zodat het een en ander soepel en zonder al te veel paniek zal verlopen.

David Cohen van de Joodse Raad wordt verteld dat op zeer korte termijn de eerste Joden zullen worden uitgezonden voor verplichte arbeidsinzet in Duitsland. Cohen schrikt hier enorm van en protesteert en dreigt op te stappen, maar hem wordt verzekerd dat de meeste Joden gewoon in Nederland zullen mogen blijven. Cohen mag kiezen: of de Joodse Raad helpt mee met het opstellen van lijsten (en beslist dus wie van deportatie zal worden vrij gesteld, zoals zijzelf, hun gezinnen en vrienden), of de bezetter doet dit zonder aanzien des persoons. De Joodse Raad kiest voor medewerking. Ze zullen 800 namen per dag moeten leveren.

Er ontstaat paniek. De bezetter belooft dat de Joodse Raad en haar personeel zich over deportatie geen zorgen hoeven maken. De Raad neemt onmiddellijk meer mensen in dienst, zodat die ook allemaal worden vrijgesteld van deportatie.

 

Dit alles speelt zich af in de maand juli 1942. 

Ook Betty gaat bij de Joodse Raad werken. Op de persoonskaart van Betty uit de carthotheek van de Joodse Raad is te zien dat zij diploma’s steno en typen heeft.

 

Voorlopig lijkt David het goed geregeld te hebben voor zijn gezin, vrijgesteld van deportatie voor wat het waard is…

 

De broer van Judith, Abraham (Bram) van Leeuwen, woont in Apeldoorn en daar gebeurt in januari 1943 het volgende:

Op 7 januari 1943 worden in Apeldoorn vader Jozeph en zoon Maurits Philips gearresteerd omdat er een verstopte kist is gevonden met Joodse bezittingen en die kist zou van hen zijn, wat niet zo is. De kist was van een andere familie Philips. Ook de vrouwen en 3 kinderen van deze familie worden opgepakt en naar Westerbork gestuurd. Dat terwijl Philips junior en senior in de plaatselijke Joodse Raad zaten en dus niet gedeporteerd zouden worden! (bron Vogelvrij Sietze van der Zee).

 

(Bron: collectie familie Stronkhorst)

 

Is dit de druppel geweest voor David om ondanks dat hij bij de Joodse Raad was toch onder te duiken? Heeft de broer van Judith hier een rol in gespeeld? 

 

Ook de halfzus van Judith, Rie Koppens-van Leeuwen duikt in Apeldoorn onder met man en kind. Marion van Maren vertelde daarover dat dit gezin zich voor het raam liet zien bij hun onderduikergevers waardoor ze moesten vertrekken naar een andere schuilplaats. Deze was in Helmond. Hier is het gezin verraden en gedeporteerd vanuit Kamp Vught rechtstreeks naar Auschwitz.

 

Het zou mogelijk kunnen zijn dat David vanuit hetgeen hij op diverse plaatsen hoorde het besluit tot vertrek uit Uden genomen heeft.

Maar dat is uiteraard niet met zekerheid te zeggen.

 

Mogelijk is David gewaarschuwd door Ruppert, die David kende van de Udense Oranjevereniging. In 1939 was David namelijk lid van de Udense Oranjevereniging, waarin o.a. Ruppert (een Rijksduitser, die in de oorlog een leidende functie in Uden had) zitting had.

 

Burgemeester Buskens was mogelijk geïnformeerd over de deportatie en heeft het gezin, dat zo goed in Uden lag, mogelijk ook gewaarschuwd.

 

In de loop van 1941 wordt het persoonsbewijs ingevoerd. Iedereen vanaf 15 moet het bij zich dragen. Zo kunnen de Duitse bezetters de Nederlanders beter controleren.

Bij Joden staat in hun persoonsbewijs een J gestempeld. Daardoor is meteen te controleren of iemand Joods is of niet. 

David kwam in die tijd regelmatig bij de Veghelse collega-veehandelaar Willem van Schijndel over de vloer. Vermoedelijk hebben zij over de plannen van David gesproken om Uden te verlaten in verband met de dreiging van deportatie. 

Willem van Schijndel heeft David op dat moment het persoonsbewijs van zijn dochter, Maria van Schijndel, gegeven voor Betty.

Willem van Schijndel heeft hier tijdens de oorlog met niemand over gesproken. Pas na de oorlog heeft hij dit verhaal aan zijn dochter, Maria van Schijndel, verteld. 

Betty heeft altijd in de veronderstelling geleefd dat zij in het bezit was van een vervalst persoonsbewijs. 

 

Het persoonsbewijs dat Betty van Zwanenbergh gebruikte. (Bron: collectie familie Stronkhorst)

 

De publicatie 'Joden zijn nog niet vergeten' in het Brabants Dagblad van 26 januari 2015, waarin het verhaal over het ‘vervalste’ persoonsbewijs stond beschreven, wekte de belangstelling van Maria Bongaerts-van Schijndel. Haar man, Harry Bongaerts, belde naar de krant en vertelde dat dit persoonsbewijs vermoedelijk van zijn vrouw afkomstig moest zijn geweest. 

In een interview met mevrouw Bongaerts dat hierop volgde vertelt zij: "Mijn vader was veehandelaar en een collega van David van Zwanenbergh. Ik weet dat hij mijn persoonsbewijs aan hem heeft gegeven voor zijn dochter Betty. Maar ik heb nooit geweten of ze de oorlog overleefd heeft."

  

Nadat David het persoonsbewijs heeft gekregen wordt de dreiging te groot en besluit het gezin, Betty onder de naam Maria van Schijndel, onder te duiken. 

 

Voordat het gezin vertrekt vult David een ijzeren kistje met kleine bezittingen, zoals foto’s en sieraden en begroef dit in de tuin, samen met nog wat andere waardevolle spullen.

 

(Bron: collectie familie Stronkhorst)

Grotere spullen werden bij kennissen ondergebracht.

 

Allereerst duiken zij onder in Uden.

 

Bij kennissen in de buurt ‘Groenewoud’, te weten de familie Geurts (de mannen, Martinus Geurts en David, kenden elkaar van sociëteit Nimrod), konden zij zich in de kelder verstoppen. Omdat het te gevaarlijk werd, moesten zij hier na enkele dagen alweer weg. Agent Baartmans luisterde namelijk ’s avonds aan de deuren.

 

Vervolgens hebben zij enkele dagen ondergedoken gezeten in de boerderij van de familie Rutten aan de Hulstheuvel in Uden. Zij zaten verstopt in de kippenschuur achter de boerderij. Daar had Hein Rutten een geheime schuilplaats tegen het dak van de kippenschuur aan gemaakt. Eigenlijk een soort zolderetage waarvan, als je het niet wist, je het niet kon zien.

 

(Bron: collectie familie Stronkhorst)

 

Daarna lijkt het erop dat het gezin in alle stilte uit Uden vertrok.

 

Op 4 februari 1943 verscheen het volgende bericht in het Nederlandsch Algemeen Politieblad:

(Bron: collectie familie Stronkhorst)


 

Het volgende onderduikadres van David en Judith, betrof het pension Eljo-Zamy in Ugchelen, in de buurt van Apeldoorn. 

 

Hier vonden David en Judith geen rust. Er heerste een waar schrikbewind. Enkele onderduikers die er hebben gezeten hebben een boekje opengedaan over de pensionhoudster en haar jongste zoon, die Joden zouden hebben geslagen en hun bedorven eten hebben voorgezet. 

 

Betty was vanaf dat moment gescheiden van haar ouders en zat in eerste instantie bij haar oom Bram (Abraham van Leeuwen) in Apeldoorn ondergedoken. 

 

Omdat hij gemengd gehuwd was, werd een verblijf in zijn gezin als minder gevaarlijk beschouwd. Ze verbleef daar, naar eigen zeggen, op verschillende plaatsen in Apeldoorn en Ugchelen. 

 

Aangezien haar ouders zo’n 5 maanden in het pension in Ugchelen hebben gezeten, heeft zij haar ouders vermoedelijk weleens bezocht. Ze heeft verteld eens beschoten te zijn geweest en vervolgens een maisveld in gevlucht te zijn. Een kogel had de hak van haar laars geraakt. Vervolgens heeft zij zich verscholen gehouden in een dug-out langs een sportveld. 

In de hakken van Betty’s schoenen zaten gouden tientjes verstopt. Vermoedelijk had David dit gedaan zodat Betty hiermee, als het nodig zou zijn, zichzelf zou kunnen redden. Daardoor waren haar schoenen erg zwaar en kon ze er maar moeilijk op lopen. 

Ook heeft Betty weleens verteld aan familie zich eens verstopt te hebben bij een sloot, waar zij heeft liggen kwaken als een kikker.

 

In de nacht van woensdag 14 op donderdag 15 juli 1943, wordt er een inval gedaan in het pension Eljo-Zamy in Ugchelen. Nadat de rechercheurs met de pensionhoudster en haar man hebben gesproken, verklaren dezen zich bereid de onderduikers die zich in het veld blijken te hebben verstopt terug te lokken door het afgesproken signaal ‘koekoek’ te roepen. 

Als niet alle Joodse onderduikers gehoor geven aan de lokroep, wordt er een klopjacht van enkele dagen gehouden totdat ook alle andere gevluchte onderduikers zijn aangehouden.

(Uit Vogelvrij, hoofdstuk Johannes Meijer)

 

In het boek “Vogelvrij” van Sytze van der Zee staat vermeld dat de pensionhoudster van Eljo-Zamy nog 80 gulden van David en Judith van Zwanenbergh tegoed zou hebben.

Na de inval probeert de pensionhoudster haar geld te krijgen via de familie van Leeuwen. (Boek “Vogelvrij” van Sytze van der Zee)

  • Zij stapte om die reden de eerste zaterdag na de inval naar verwanten van het echtpaar, de familie Van Leeuwen. Bij hen zat het dochtertje van de Van Zwanenberghs, Betsy (Betty), ondergedoken.
  • Een week later belde de pensionhoudster opnieuw aan bij de familie Van Leeuwen om tachtig gulden op te eisen. Nadat de man (Bram van Leeuwen) de deur had dichtgeknald, had ze geroepen: “Ik zal je wel krijgen!”.

Na het (tweede) bezoek van de pensionhoudster werd het mogelijk veel te gevaarlijk voor Betty om nog op het adres van haar oom te verblijven en ook voor haar oom werd het een groot risico. 

 

Het zou voor de hand liggen, omdat heel snel een ander onderduikadres moest worden gevonden, dat Betty vervolgens op het adres van de familie van de toenmalige verloofde van de dochter van Abraham, Herman Teunissen, is ondergedoken. 

De dochter van Abraham, Bep, had zich eind 1940 officieel verloofd met Herman. De familie Teunissen woonde op de Reigersweg 93. Vader Teunissen had bij huis een timmermanswerkplaats; de woning was op een rustige plek  gelegen aan de rand van Apeldoorn met meerdere bedrijven.

 

Abraham van Leeuwen werd vervolgens opgepakt en gevangen gezet in de “Ortskommandantur” in Arnhem. Hij werd gemarteld en zo gedwongen te vertellen waar zijn nichtje Betty was. 

Hij wist natuurlijk heel goed waar zijn nichtje Betty zat ondergedoken, maar heeft niets gezegd. Hij werd na 3 maanden vrijgelaten op voorwaarde dat hij niet naar huis terugkeerde, maar rechtstreeks naar Amsterdam ging. Volgens zijn persoonskaart was hij vanaf 29 oktober 1943 ingeschreven op de Amstelkade in Amsterdam.

 

Herman (de verloofde van Bep), waar Betty op dat moment ondergedoken zat, werkte bij de politie en zijn broer bij de marechaussee. Mogelijk werd het ook daar te gevaarlijk voor Betty aangezien oom Bram opgepakt was, dat er voor Betty een nieuw onderduikadres gezocht moest worden. 

De broer van Herman werkte bij de marechaussee en had een collega, Wim van der Blij, op de hoogte gebracht. Hij heeft Betty vervolgens meegenomen naar zijn schoonouders in Zutphen. Hij was verloofd met Annie. 

 

Betty en Annie

(Bron: collectie familie Stronkhorst)


Betty en Annie leken erg op elkaar, zij leken wel een tweeling. Deze foto stond op een dressoir om zo de bezetter om de tuin te leiden. Het leek zo net of Betty werkelijk bij het gezin hoorde.

 

Wim heeft Betty vervolgens naar zijn ouders in Hoofddorp gebracht door haar, zogenaamd als gevangene, geblondeerd en wel, achterop de fiets mee te nemen naar Hoofddorp. Hij had een arrestatiebevel bij zich om zich in te dekken. Zo hebben zij op de fiets een tocht van zo’n zes en een half uur gemaakt. 

Wim en Annie van der Blij

(Bron: collectie familie Stronkhorst)


 

David en Judith zijn, nadat zij waren opgepakt op 15 juli 1943, direct naar Westerbork gebracht. 

Na 4 dagen, op 20 juli 1943, zijn zij op de trein naar Sobibor vertrokken, alwaar zij op 23 juli 1943 zijn vergast.

 

Betty leefde bij de familie van der Blij voor een groot deel onder de grond. 

Met het persoonsbewijs van Maria van Schijndel overleefde zij de oorlog in dit gezin, waarin zij als een dochter was opgenomen. Bij haar pleegouders is zij vrijwillig overgegaan tot het protestantisme. 

 

In die tijd leert zij André Stronkhorst kennen. Hij was politieagent en tijdens de oorlog ondergedoken. Hij zat in de Haarlemmermeer in het verzet en zorgde voor bonkaarten voor het gezin waar Betty was ondergedoken. 

André Stronkhorst was in de oorlog weduwnaar geworden en had een dochtertje Anita, geboren op 27 oktober 1943. André en Betty werden verliefd.

 

(Bron: collectie familie Stronkhorst)

 

Betty komt in 1945 naar Uden terug met haar pleegbroer Wim van der Blij. 

In de tuin werd het kistje met bezittingen opgegraven. Van andere bezittingen van haar ouders (onder andere het servies) kon zij maar een klein gedeelte achterhalen. 

 

Ze treft in hun huis andere bewoners aan. Als ze trouwt krijgt ze zelfs een brief van deze mensen. Familie Raats, NSB-ers. Hij was werkzaam op het vliegveld in Volkel en heeft het huis aan de St. Janstraat toegewezen gekregen. 

 

Op 27 november 1945 komt in de Provinciale Noord-Brabantse courant een advertentie:

 

Ondergeteekende, B. van Zwanenbergh, verzoekt allen, die iets te vorderen hebben en/of verschuldigd zijn aan D. van Zwanenbergh en Echtgenoote, gewoond hebbende St. Janstraat A 160 te Uden, dan wel gelden of goederen of andere waarden van of voor hun in bewaring of in bezit hebben, daarvan vóór 15 december 1945 mededeeling te doen aan hun Dochter B. van Zwanenbergh, p/a/ W. van Dieten, Kerkstraat A 236, Uden.

 

Op 14 december 1945 trouwt Betty met André Stronkhorst.

 

André Stronkhorst en Betty van Zwanenbergh

(Bron: collectie familie Stronkhorst)


Of Betty tijdens of tijdens de oorlog ooit heeft geweten wat er met haar ouders is gebeurd blijft een raadsel. Betty zei zelfs na de oorlog nog altijd: Vermoedelijk zijn mijn ouders omgebracht in Sobibor. Wellicht ergens nog de hoop hebbende dat dit niet echt waar was.

 

Betty gaat met André in Den Haag wonen en krijgt nog 2 zoons, Hans en Peter.

Betty met Peter, Hans en Anita

(Bron: collectie familie Stronkhorst)

 

Kinderen:

1943 Anita

1948 Hans

1949 Peter

 

Kleinkinderen:

Anita à Irene

Hans à Mireille en Simone

Peter à Michel en Monica

 

Achterkleinkinderen:

Irene à Anouk en Nikki

Mireille à Rens en Nik

Simone à Kay, Zoë en Tom

Michel à Enzo en Levi

Monica à Senna

 

In 1972 overlijdt André Stronkhorst.

 

In 2001 overlijdt Betty. 

 

(Bron: collectie familie Stronkhorst)